Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik land
jij/je landt
hij/zij/het/u landt
wij/we landen
jullie landen
zij/ze landen
onvoltooid verleden tijdpast
ik landde
jij/je landde
hij/zij/het/u landde
wij/we landden
jullie landden
zij/ze landden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben geland
jij/je bent geland
hij/zij/het/u is geland
wij/we zijn geland
jullie zijn geland
zij/ze zijn geland
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was geland
jij/je was geland
hij/zij/het/u was geland
wij/we waren geland
jullie waren geland
zij/ze waren geland
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal landen
jij/je zult landen
hij/zij/het/u zal landen
wij/we zullen landen
jullie zullen landen
zij/ze zullen landen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn geland
jij/je zult zijn geland
hij/zij/het/u zal zijn geland
wij/we zullen zijn geland
jullie zullen zijn geland
zij/ze zullen zijn geland
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou landen
jij/je zou landen
hij/zij/het/u zou landen
wij/we zouden landen
jullie zouden landen
zij/ze zouden landen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn geland
jij/je zou zijn geland
hij/zij/het/u zou zijn geland
wij/we zouden zijn geland
jullie zouden zijn geland
zij/ze zouden zijn geland
gebiedende wijs: land
tegenwoordig deelwoord: landend
voltooid deelwoord: geland
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het vliegtuig landt om drie uur in Parijs.
The plane lands in Paris at three o'clock.
Onvoltooid verleden tijdPast
De helikopter landde in het weiland.
The helicopter landed in the meadow.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij zijn gisteravond laat geland in Lissabon.
We landed late last night in Lisbon.