Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik lak
jij/je lakt
hij/zij/het/u lakt
wij/we lakken
jullie lakken
zij/ze lakken
onvoltooid verleden tijdpast
ik lakte
jij/je lakte
hij/zij/het/u lakte
wij/we lakten
jullie lakten
zij/ze lakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gelakt
jij/je hebt gelakt
hij/zij/het/u heeft gelakt
wij/we hebben gelakt
jullie hebben gelakt
zij/ze hebben gelakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gelakt
jij/je had gelakt
hij/zij/het/u had gelakt
wij/we hadden gelakt
jullie hadden gelakt
zij/ze hadden gelakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal lakken
jij/je zult lakken
hij/zij/het/u zal lakken
wij/we zullen lakken
jullie zullen lakken
zij/ze zullen lakken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gelakt
jij/je zult hebben gelakt
hij/zij/het/u zal hebben gelakt
wij/we zullen hebben gelakt
jullie zullen hebben gelakt
zij/ze zullen hebben gelakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou lakken
jij/je zou lakken
hij/zij/het/u zou lakken
wij/we zouden lakken
jullie zouden lakken
zij/ze zouden lakken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gelakt
jij/je zou hebben gelakt
hij/zij/het/u zou hebben gelakt
wij/we zouden hebben gelakt
jullie zouden hebben gelakt
zij/ze zouden hebben gelakt
gebiedende wijs: lak
tegenwoordig deelwoord: lakkend
voltooid deelwoord: gelakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij lakt haar nagels felrood.
She paints her nails bright red.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn vader lakte de oude eettafel opnieuw.
My father varnished the old dining table again.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de voordeur gisteren gelakt.
We varnished the front door yesterday.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
De schilder zou morgen de deuren lakken.
The painter would varnish the doors tomorrow.