Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kwispel
jij/je kwispelt
hij/zij/het/u kwispelt
wij/we kwispelen
jullie kwispelen
zij/ze kwispelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kwispelde
jij/je kwispelde
hij/zij/het/u kwispelde
wij/we kwispelden
jullie kwispelden
zij/ze kwispelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekwispeld
jij/je hebt gekwispeld
hij/zij/het/u heeft gekwispeld
wij/we hebben gekwispeld
jullie hebben gekwispeld
zij/ze hebben gekwispeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekwispeld
jij/je had gekwispeld
hij/zij/het/u had gekwispeld
wij/we hadden gekwispeld
jullie hadden gekwispeld
zij/ze hadden gekwispeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kwispelen
jij/je zult kwispelen
hij/zij/het/u zal kwispelen
wij/we zullen kwispelen
jullie zullen kwispelen
zij/ze zullen kwispelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekwispeld
jij/je zult hebben gekwispeld
hij/zij/het/u zal hebben gekwispeld
wij/we zullen hebben gekwispeld
jullie zullen hebben gekwispeld
zij/ze zullen hebben gekwispeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kwispelen
jij/je zou kwispelen
hij/zij/het/u zou kwispelen
wij/we zouden kwispelen
jullie zouden kwispelen
zij/ze zouden kwispelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekwispeld
jij/je zou hebben gekwispeld
hij/zij/het/u zou hebben gekwispeld
wij/we zouden hebben gekwispeld
jullie zouden hebben gekwispeld
zij/ze zouden hebben gekwispeld
gebiedende wijs: kwispel
tegenwoordig deelwoord: kwispelend
voltooid deelwoord: gekwispeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De hond kwispelt blij bij de voordeur.
The dog wags its tail happily at the front door.
Onvoltooid verleden tijdPast
De puppy kwispelde de hele dag.
The puppy wagged its tail all day long.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Onze hond zal blij kwispelen bij het nieuwe speeltje.
Our dog will surely wag its tail at the new toy.