Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik scheld kwijt
jij/je scheldt kwijt
hij/zij/het/u scheldt kwijt
wij/we schelden kwijt
jullie schelden kwijt
zij/ze schelden kwijt
onvoltooid verleden tijdpast
ik schold kwijt
jij/je schold kwijt
hij/zij/het/u schold kwijt
wij/we scholden kwijt
jullie scholden kwijt
zij/ze scholden kwijt
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb kwijtgescholden
jij/je hebt kwijtgescholden
hij/zij/het/u heeft kwijtgescholden
wij/we hebben kwijtgescholden
jullie hebben kwijtgescholden
zij/ze hebben kwijtgescholden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had kwijtgescholden
jij/je had kwijtgescholden
hij/zij/het/u had kwijtgescholden
wij/we hadden kwijtgescholden
jullie hadden kwijtgescholden
zij/ze hadden kwijtgescholden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kwijtschelden
jij/je zult kwijtschelden
hij/zij/het/u zal kwijtschelden
wij/we zullen kwijtschelden
jullie zullen kwijtschelden
zij/ze zullen kwijtschelden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben kwijtgescholden
jij/je zult hebben kwijtgescholden
hij/zij/het/u zal hebben kwijtgescholden
wij/we zullen hebben kwijtgescholden
jullie zullen hebben kwijtgescholden
zij/ze zullen hebben kwijtgescholden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kwijtschelden
jij/je zou kwijtschelden
hij/zij/het/u zou kwijtschelden
wij/we zouden kwijtschelden
jullie zouden kwijtschelden
zij/ze zouden kwijtschelden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben kwijtgescholden
jij/je zou hebben kwijtgescholden
hij/zij/het/u zou hebben kwijtgescholden
wij/we zouden hebben kwijtgescholden
jullie zouden hebben kwijtgescholden
zij/ze zouden hebben kwijtgescholden
gebiedende wijs: scheld kwijt
tegenwoordig deelwoord: kwijtscheldend
voltooid deelwoord: kwijtgescholden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bank scheldt een deel van de schuld kwijt.
The bank is forgiving part of the debt.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn oom schold mij de rest van de lening kwijt.
My uncle forgave me the rest of the loan.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De gemeente heeft de parkeerboete kwijtgescholden.
The city has waived the parking fine.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Een vriendelijke bank zou die schuld hebben kwijtgescholden.
A friendly bank would have forgiven that debt.