Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kwijl
jij/je kwijlt
hij/zij/het/u kwijlt
wij/we kwijlen
jullie kwijlen
zij/ze kwijlen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kwijlde
jij/je kwijlde
hij/zij/het/u kwijlde
wij/we kwijlden
jullie kwijlden
zij/ze kwijlden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekwijld
jij/je hebt gekwijld
hij/zij/het/u heeft gekwijld
wij/we hebben gekwijld
jullie hebben gekwijld
zij/ze hebben gekwijld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekwijld
jij/je had gekwijld
hij/zij/het/u had gekwijld
wij/we hadden gekwijld
jullie hadden gekwijld
zij/ze hadden gekwijld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kwijlen
jij/je zult kwijlen
hij/zij/het/u zal kwijlen
wij/we zullen kwijlen
jullie zullen kwijlen
zij/ze zullen kwijlen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekwijld
jij/je zult hebben gekwijld
hij/zij/het/u zal hebben gekwijld
wij/we zullen hebben gekwijld
jullie zullen hebben gekwijld
zij/ze zullen hebben gekwijld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kwijlen
jij/je zou kwijlen
hij/zij/het/u zou kwijlen
wij/we zouden kwijlen
jullie zouden kwijlen
zij/ze zouden kwijlen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekwijld
jij/je zou hebben gekwijld
hij/zij/het/u zou hebben gekwijld
wij/we zouden hebben gekwijld
jullie zouden hebben gekwijld
zij/ze zouden hebben gekwijld
gebiedende wijs: kwijl
tegenwoordig deelwoord: kwijlend
voltooid deelwoord: gekwijld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De hond kwijlt bij de geur van vlees.
The dog drools at the smell of meat.
Onvoltooid verleden tijdPast
De baby kwijlde op mijn schone trui.
The baby drooled on my clean sweater.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De puppy heeft op de bank gekwijld.
The puppy has drooled on the couch.
Voltooid verleden tijdPast perfect
De baby had tijdens het dutje op mijn schouder gekwijld.
The baby had drooled on my shoulder during the nap.