Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kan
jij/je kunt/kan
hij/zij/het/u kan
wij/we kunnen
jullie kunnen
zij/ze kunnen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kon
jij/je kon
hij/zij/het/u kon
wij/we konden
jullie konden
zij/ze konden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekund
jij/je hebt gekund
hij/zij/het/u heeft gekund
wij/we hebben gekund
jullie hebben gekund
zij/ze hebben gekund
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekund
jij/je had gekund
hij/zij/het/u had gekund
wij/we hadden gekund
jullie hadden gekund
zij/ze hadden gekund
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kunnen
jij/je zult kunnen
hij/zij/het/u zal kunnen
wij/we zullen kunnen
jullie zullen kunnen
zij/ze zullen kunnen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekund
jij/je zult hebben gekund
hij/zij/het/u zal hebben gekund
wij/we zullen hebben gekund
jullie zullen hebben gekund
zij/ze zullen hebben gekund
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kunnen
jij/je zou kunnen
hij/zij/het/u zou kunnen
wij/we zouden kunnen
jullie zouden kunnen
zij/ze zouden kunnen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekund
jij/je zou hebben gekund
hij/zij/het/u zou hebben gekund
wij/we zouden hebben gekund
jullie zouden hebben gekund
zij/ze zouden hebben gekund
gebiedende wijs: --
tegenwoordig deelwoord: kunnend
voltooid deelwoord: gekund
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik kan heel goed zwemmen.
I can swim very well.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij kon gisteren niet naar het feest komen.
He could not come to the party yesterday.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Jullie zullen morgen de foto's kunnen bekijken.
You will be able to see the photos tomorrow.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Zonder bril zou ik dit niet kunnen lezen.
Without glasses I would not be able to read this.