Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kruip
jij/je kruipt
hij/zij/het/u kruipt
wij/we kruipen
jullie kruipen
zij/ze kruipen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kroop
jij/je kroop
hij/zij/het/u kroop
wij/we kropen
jullie kropen
zij/ze kropen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gekropen
jij/je bent/hebt gekropen
hij/zij/het/u is/heeft gekropen
wij/we zijn/hebben gekropen
jullie zijn/hebben gekropen
zij/ze zijn/hebben gekropen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gekropen
jij/je was/had gekropen
hij/zij/het/u was/had gekropen
wij/we waren/hadden gekropen
jullie waren/hadden gekropen
zij/ze waren/hadden gekropen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kruipen
jij/je zult kruipen
hij/zij/het/u zal kruipen
wij/we zullen kruipen
jullie zullen kruipen
zij/ze zullen kruipen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gekropen
jij/je zult zijn/hebben gekropen
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gekropen
wij/we zullen zijn/hebben gekropen
jullie zullen zijn/hebben gekropen
zij/ze zullen zijn/hebben gekropen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kruipen
jij/je zou kruipen
hij/zij/het/u zou kruipen
wij/we zouden kruipen
jullie zouden kruipen
zij/ze zouden kruipen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gekropen
jij/je zou zijn/hebben gekropen
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gekropen
wij/we zouden zijn/hebben gekropen
jullie zouden zijn/hebben gekropen
zij/ze zouden zijn/hebben gekropen
gebiedende wijs: kruip
tegenwoordig deelwoord: kruipend
voltooid deelwoord: gekropen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De baby kruipt door de woonkamer.
The baby is crawling through the living room.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij kropen door een lage tunnel in de speeltuin.
We crawled through a low tunnel at the playground.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kat is onder het bed gekropen.
The cat has crawled under the bed.