Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kriebel
jij/je kriebelt
hij/zij/het/u kriebelt
wij/we kriebelen
jullie kriebelen
zij/ze kriebelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kriebelde
jij/je kriebelde
hij/zij/het/u kriebelde
wij/we kriebelden
jullie kriebelden
zij/ze kriebelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekriebeld
jij/je hebt gekriebeld
hij/zij/het/u heeft gekriebeld
wij/we hebben gekriebeld
jullie hebben gekriebeld
zij/ze hebben gekriebeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekriebeld
jij/je had gekriebeld
hij/zij/het/u had gekriebeld
wij/we hadden gekriebeld
jullie hadden gekriebeld
zij/ze hadden gekriebeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kriebelen
jij/je zult kriebelen
hij/zij/het/u zal kriebelen
wij/we zullen kriebelen
jullie zullen kriebelen
zij/ze zullen kriebelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekriebeld
jij/je zult hebben gekriebeld
hij/zij/het/u zal hebben gekriebeld
wij/we zullen hebben gekriebeld
jullie zullen hebben gekriebeld
zij/ze zullen hebben gekriebeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kriebelen
jij/je zou kriebelen
hij/zij/het/u zou kriebelen
wij/we zouden kriebelen
jullie zouden kriebelen
zij/ze zouden kriebelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekriebeld
jij/je zou hebben gekriebeld
hij/zij/het/u zou hebben gekriebeld
wij/we zouden hebben gekriebeld
jullie zouden hebben gekriebeld
zij/ze zouden hebben gekriebeld
gebiedende wijs: kriebel
tegenwoordig deelwoord: kriebelend
voltooid deelwoord: gekriebeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het label van mijn shirt kriebelt op mijn rug.
The label of my shirt itches on my back.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het zand kriebelde tussen mijn tenen.
The sand tickled between my toes.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Die wollen sjaal zal vast kriebelen.
That wool scarf will definitely itch.