Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kraak
jij/je kraakt
hij/zij/het/u kraakt
wij/we kraken
jullie kraken
zij/ze kraken
onvoltooid verleden tijdpast
ik kraakte
jij/je kraakte
hij/zij/het/u kraakte
wij/we kraakten
jullie kraakten
zij/ze kraakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekraakt
jij/je hebt gekraakt
hij/zij/het/u heeft gekraakt
wij/we hebben gekraakt
jullie hebben gekraakt
zij/ze hebben gekraakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekraakt
jij/je had gekraakt
hij/zij/het/u had gekraakt
wij/we hadden gekraakt
jullie hadden gekraakt
zij/ze hadden gekraakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kraken
jij/je zult kraken
hij/zij/het/u zal kraken
wij/we zullen kraken
jullie zullen kraken
zij/ze zullen kraken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekraakt
jij/je zult hebben gekraakt
hij/zij/het/u zal hebben gekraakt
wij/we zullen hebben gekraakt
jullie zullen hebben gekraakt
zij/ze zullen hebben gekraakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kraken
jij/je zou kraken
hij/zij/het/u zou kraken
wij/we zouden kraken
jullie zouden kraken
zij/ze zouden kraken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekraakt
jij/je zou hebben gekraakt
hij/zij/het/u zou hebben gekraakt
wij/we zouden hebben gekraakt
jullie zouden hebben gekraakt
zij/ze zouden hebben gekraakt
gebiedende wijs: kraak
tegenwoordig deelwoord: krakend
voltooid deelwoord: gekraakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Opa kraakt de walnoten met de notenkraker.
Grandpa cracks the walnuts with the nutcracker.
Onvoltooid verleden tijdPast
De hacker kraakte het wachtwoord in vijf minuten.
The hacker cracked the password in five minutes.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben alle noten voor de taart gekraakt.
We cracked all the nuts for the cake.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Hij had de noten met een notenkraker gekraakt.
He had cracked the nuts with a nutcracker.