Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik koop
jij/je koopt
hij/zij/het/u koopt
wij/we kopen
jullie kopen
zij/ze kopen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kocht
jij/je kocht
hij/zij/het/u kocht
wij/we kochten
jullie kochten
zij/ze kochten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekocht
jij/je hebt gekocht
hij/zij/het/u heeft gekocht
wij/we hebben gekocht
jullie hebben gekocht
zij/ze hebben gekocht
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekocht
jij/je had gekocht
hij/zij/het/u had gekocht
wij/we hadden gekocht
jullie hadden gekocht
zij/ze hadden gekocht
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kopen
jij/je zult kopen
hij/zij/het/u zal kopen
wij/we zullen kopen
jullie zullen kopen
zij/ze zullen kopen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekocht
jij/je zult hebben gekocht
hij/zij/het/u zal hebben gekocht
wij/we zullen hebben gekocht
jullie zullen hebben gekocht
zij/ze zullen hebben gekocht
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kopen
jij/je zou kopen
hij/zij/het/u zou kopen
wij/we zouden kopen
jullie zouden kopen
zij/ze zouden kopen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekocht
jij/je zou hebben gekocht
hij/zij/het/u zou hebben gekocht
wij/we zouden hebben gekocht
jullie zouden hebben gekocht
zij/ze zouden hebben gekocht
gebiedende wijs: koop
tegenwoordig deelwoord: kopend
voltooid deelwoord: gekocht
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij kopen elke zaterdag verse groenten op de markt.
We buy fresh vegetables at the market every Saturday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij kocht vorige maand een tweedehands auto.
He bought a second-hand car last month.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb nieuwe schoenen gekocht voor de zomer.
I bought new shoes for the summer.