Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kom
jij/je komt
hij/zij/het/u komt
wij/we komen
jullie komen
zij/ze komen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kwam
jij/je kwam
hij/zij/het/u kwam
wij/we kwamen
jullie kwamen
zij/ze kwamen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gekomen
jij/je bent gekomen
hij/zij/het/u is gekomen
wij/we zijn gekomen
jullie zijn gekomen
zij/ze zijn gekomen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gekomen
jij/je was gekomen
hij/zij/het/u was gekomen
wij/we waren gekomen
jullie waren gekomen
zij/ze waren gekomen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal komen
jij/je zult komen
hij/zij/het/u zal komen
wij/we zullen komen
jullie zullen komen
zij/ze zullen komen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gekomen
jij/je zult zijn gekomen
hij/zij/het/u zal zijn gekomen
wij/we zullen zijn gekomen
jullie zullen zijn gekomen
zij/ze zullen zijn gekomen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou komen
jij/je zou komen
hij/zij/het/u zou komen
wij/we zouden komen
jullie zouden komen
zij/ze zouden komen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gekomen
jij/je zou zijn gekomen
hij/zij/het/u zou zijn gekomen
wij/we zouden zijn gekomen
jullie zouden zijn gekomen
zij/ze zouden zijn gekomen
gebiedende wijs: kom
tegenwoordig deelwoord: komend
voltooid deelwoord: gekomen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij komt elke vrijdag bij ons eten.
He comes to eat at our place every Friday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Onze vrienden kwamen gisteren met de trein.
Our friends came by train yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik ben vandaag met de fiets naar het werk gekomen.
I came to work by bike today.