Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kook
jij/je kookt
hij/zij/het/u kookt
wij/we koken
jullie koken
zij/ze koken
onvoltooid verleden tijdpast
ik kookte
jij/je kookte
hij/zij/het/u kookte
wij/we kookten
jullie kookten
zij/ze kookten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekookt
jij/je hebt gekookt
hij/zij/het/u heeft gekookt
wij/we hebben gekookt
jullie hebben gekookt
zij/ze hebben gekookt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekookt
jij/je had gekookt
hij/zij/het/u had gekookt
wij/we hadden gekookt
jullie hadden gekookt
zij/ze hadden gekookt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal koken
jij/je zult koken
hij/zij/het/u zal koken
wij/we zullen koken
jullie zullen koken
zij/ze zullen koken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekookt
jij/je zult hebben gekookt
hij/zij/het/u zal hebben gekookt
wij/we zullen hebben gekookt
jullie zullen hebben gekookt
zij/ze zullen hebben gekookt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou koken
jij/je zou koken
hij/zij/het/u zou koken
wij/we zouden koken
jullie zouden koken
zij/ze zouden koken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekookt
jij/je zou hebben gekookt
hij/zij/het/u zou hebben gekookt
wij/we zouden hebben gekookt
jullie zouden hebben gekookt
zij/ze zouden hebben gekookt
gebiedende wijs: kook
tegenwoordig deelwoord: kokend
voltooid deelwoord: gekookt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn vader kookt elke zondag soep.
My father cooks soup every Sunday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Ze kookte pasta zonder zout.
She cooked pasta without salt.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ze hebben vandaag heerlijk gekookt.
They cooked a delicious meal today.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Hij had al gekookt toen de gasten arriveerden.
He had already cooked when the guests arrived.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Vanavond zouden wij samen soep koken.
Tonight we would cook soup together.