Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik knuffel
jij/je knuffelt
hij/zij/het/u knuffelt
wij/we knuffelen
jullie knuffelen
zij/ze knuffelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik knuffelde
jij/je knuffelde
hij/zij/het/u knuffelde
wij/we knuffelden
jullie knuffelden
zij/ze knuffelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geknuffeld
jij/je hebt geknuffeld
hij/zij/het/u heeft geknuffeld
wij/we hebben geknuffeld
jullie hebben geknuffeld
zij/ze hebben geknuffeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geknuffeld
jij/je had geknuffeld
hij/zij/het/u had geknuffeld
wij/we hadden geknuffeld
jullie hadden geknuffeld
zij/ze hadden geknuffeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal knuffelen
jij/je zult knuffelen
hij/zij/het/u zal knuffelen
wij/we zullen knuffelen
jullie zullen knuffelen
zij/ze zullen knuffelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geknuffeld
jij/je zult hebben geknuffeld
hij/zij/het/u zal hebben geknuffeld
wij/we zullen hebben geknuffeld
jullie zullen hebben geknuffeld
zij/ze zullen hebben geknuffeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou knuffelen
jij/je zou knuffelen
hij/zij/het/u zou knuffelen
wij/we zouden knuffelen
jullie zouden knuffelen
zij/ze zouden knuffelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geknuffeld
jij/je zou hebben geknuffeld
hij/zij/het/u zou hebben geknuffeld
wij/we zouden hebben geknuffeld
jullie zouden hebben geknuffeld
zij/ze zouden hebben geknuffeld
gebiedende wijs: knuffel
tegenwoordig deelwoord: knuffelend
voltooid deelwoord: geknuffeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik knuffel mijn kat elke ochtend even.
I cuddle my cat for a moment every morning.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Oma heeft alle kleinkinderen stevig geknuffeld.
Grandma hugged all the grandchildren tightly.
Gebiedende wijsImperative
Knuffel je kleine zusje even voor mij.
Give your little sister a hug for me.