Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kniel
jij/je knielt
hij/zij/het/u knielt
wij/we knielen
jullie knielen
zij/ze knielen
onvoltooid verleden tijdpast
ik knielde
jij/je knielde
hij/zij/het/u knielde
wij/we knielden
jullie knielden
zij/ze knielden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geknield
jij/je hebt geknield
hij/zij/het/u heeft geknield
wij/we hebben geknield
jullie hebben geknield
zij/ze hebben geknield
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geknield
jij/je had geknield
hij/zij/het/u had geknield
wij/we hadden geknield
jullie hadden geknield
zij/ze hadden geknield
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal knielen
jij/je zult knielen
hij/zij/het/u zal knielen
wij/we zullen knielen
jullie zullen knielen
zij/ze zullen knielen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geknield
jij/je zult hebben geknield
hij/zij/het/u zal hebben geknield
wij/we zullen hebben geknield
jullie zullen hebben geknield
zij/ze zullen hebben geknield
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou knielen
jij/je zou knielen
hij/zij/het/u zou knielen
wij/we zouden knielen
jullie zouden knielen
zij/ze zouden knielen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geknield
jij/je zou hebben geknield
hij/zij/het/u zou hebben geknield
wij/we zouden hebben geknield
jullie zouden hebben geknield
zij/ze zouden hebben geknield
gebiedende wijs: kniel
tegenwoordig deelwoord: knielend
voltooid deelwoord: geknield
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De tuinman knielt bij de kleine plantjes.
The gardener kneels by the small plants.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij knielde op de grond naast de hond.
She knelt on the ground next to the dog.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben in de kerk even geknield.
We knelt briefly in the church.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder zijn zere knie zou hij voor de foto hebben geknield.
Without his sore knee, he would have knelt for the photo.