Dutch Conjugations - KNIELEN Hidden OG Image
  polytripper

  


knielen
   
- to kneel

weak (zwak) regular aux: hebben


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
kniel
knielde
heb geknield
jij/je
knielt
knielde
hebt geknield
hij/zij/het/u
knielt
knielde
heeft geknield
wij/we
knielen
knielden
hebben geknield
jullie
knielen
knielden
hebben geknield
zij/ze
knielen
knielden
hebben geknield

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had geknield
zal knielen
zal hebben geknield
jij/je
had geknield
zult knielen
zult hebben geknield
hij/zij/het/u
had geknield
zal knielen
zal hebben geknield
wij/we
hadden geknield
zullen knielen
zullen hebben geknield
jullie
hadden geknield
zullen knielen
zullen hebben geknield
zij/ze
hadden geknield
zullen knielen
zullen hebben geknield

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou knielen
zou hebben geknield
jij/je
zou knielen
zou hebben geknield
hij/zij/het/u
zou knielen
zou hebben geknield
wij/we
zouden knielen
zouden hebben geknield
jullie
zouden knielen
zouden hebben geknield
zij/ze
zouden knielen
zouden hebben geknield

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik kniel

jij/je knielt

hij/zij/het/u knielt

wij/we knielen

jullie knielen

zij/ze knielen


onvoltooid verleden tijdpast

ik knielde

jij/je knielde

hij/zij/het/u knielde

wij/we knielden

jullie knielden

zij/ze knielden


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb geknield

jij/je hebt geknield

hij/zij/het/u heeft geknield

wij/we hebben geknield

jullie hebben geknield

zij/ze hebben geknield


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had geknield

jij/je had geknield

hij/zij/het/u had geknield

wij/we hadden geknield

jullie hadden geknield

zij/ze hadden geknield


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal knielen

jij/je zult knielen

hij/zij/het/u zal knielen

wij/we zullen knielen

jullie zullen knielen

zij/ze zullen knielen


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben geknield

jij/je zult hebben geknield

hij/zij/het/u zal hebben geknield

wij/we zullen hebben geknield

jullie zullen hebben geknield

zij/ze zullen hebben geknield


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou knielen

jij/je zou knielen

hij/zij/het/u zou knielen

wij/we zouden knielen

jullie zouden knielen

zij/ze zouden knielen


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben geknield

jij/je zou hebben geknield

hij/zij/het/u zou hebben geknield

wij/we zouden hebben geknield

jullie zouden hebben geknield

zij/ze zouden hebben geknield



gebiedende wijs: kniel

tegenwoordig deelwoord: knielend

voltooid deelwoord: geknield


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

De tuinman knielt bij de kleine plantjes.

The gardener kneels by the small plants.


Onvoltooid verleden tijdPast

Zij knielde op de grond naast de hond.

She knelt on the ground next to the dog.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Wij hebben in de kerk even geknield.

We knelt briefly in the church.


Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect

Zonder zijn zere knie zou hij voor de foto hebben geknield.

Without his sore knee, he would have knelt for the photo.