Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kneed
jij/je kneedt
hij/zij/het/u kneedt
wij/we kneden
jullie kneden
zij/ze kneden
onvoltooid verleden tijdpast
ik kneedde
jij/je kneedde
hij/zij/het/u kneedde
wij/we kneedden
jullie kneedden
zij/ze kneedden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekneed
jij/je hebt gekneed
hij/zij/het/u heeft gekneed
wij/we hebben gekneed
jullie hebben gekneed
zij/ze hebben gekneed
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekneed
jij/je had gekneed
hij/zij/het/u had gekneed
wij/we hadden gekneed
jullie hadden gekneed
zij/ze hadden gekneed
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kneden
jij/je zult kneden
hij/zij/het/u zal kneden
wij/we zullen kneden
jullie zullen kneden
zij/ze zullen kneden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekneed
jij/je zult hebben gekneed
hij/zij/het/u zal hebben gekneed
wij/we zullen hebben gekneed
jullie zullen hebben gekneed
zij/ze zullen hebben gekneed
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kneden
jij/je zou kneden
hij/zij/het/u zou kneden
wij/we zouden kneden
jullie zouden kneden
zij/ze zouden kneden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekneed
jij/je zou hebben gekneed
hij/zij/het/u zou hebben gekneed
wij/we zouden hebben gekneed
jullie zouden hebben gekneed
zij/ze zouden hebben gekneed
gebiedende wijs: kneed
tegenwoordig deelwoord: knedend
voltooid deelwoord: gekneed
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bakker kneedt het deeg elke ochtend vroeg.
The baker kneads the dough early every morning.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb het pizzadeeg tien minuten gekneed.
I kneaded the pizza dough for ten minutes.
Gebiedende wijsImperative
Kneed het deeg eerst goed met je handen.
First knead the dough well with your hands.