Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik knabbel
jij/je knabbelt
hij/zij/het/u knabbelt
wij/we knabbelen
jullie knabbelen
zij/ze knabbelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik knabbelde
jij/je knabbelde
hij/zij/het/u knabbelde
wij/we knabbelden
jullie knabbelden
zij/ze knabbelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geknabbeld
jij/je hebt geknabbeld
hij/zij/het/u heeft geknabbeld
wij/we hebben geknabbeld
jullie hebben geknabbeld
zij/ze hebben geknabbeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geknabbeld
jij/je had geknabbeld
hij/zij/het/u had geknabbeld
wij/we hadden geknabbeld
jullie hadden geknabbeld
zij/ze hadden geknabbeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal knabbelen
jij/je zult knabbelen
hij/zij/het/u zal knabbelen
wij/we zullen knabbelen
jullie zullen knabbelen
zij/ze zullen knabbelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geknabbeld
jij/je zult hebben geknabbeld
hij/zij/het/u zal hebben geknabbeld
wij/we zullen hebben geknabbeld
jullie zullen hebben geknabbeld
zij/ze zullen hebben geknabbeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou knabbelen
jij/je zou knabbelen
hij/zij/het/u zou knabbelen
wij/we zouden knabbelen
jullie zouden knabbelen
zij/ze zouden knabbelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geknabbeld
jij/je zou hebben geknabbeld
hij/zij/het/u zou hebben geknabbeld
wij/we zouden hebben geknabbeld
jullie zouden hebben geknabbeld
zij/ze zouden hebben geknabbeld
gebiedende wijs: knabbel
tegenwoordig deelwoord: knabbelend
voltooid deelwoord: geknabbeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het konijn knabbelt aan een wortel.
The rabbit nibbles on a carrot.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij knabbelden tijdens de film aan wat chips.
We nibbled on some chips during the movie.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De muis heeft aan het brood geknabbeld.
The mouse nibbled on the bread.