Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik klop
jij/je klopt
hij/zij/het/u klopt
wij/we kloppen
jullie kloppen
zij/ze kloppen
onvoltooid verleden tijdpast
ik klopte
jij/je klopte
hij/zij/het/u klopte
wij/we klopten
jullie klopten
zij/ze klopten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geklopt
jij/je hebt geklopt
hij/zij/het/u heeft geklopt
wij/we hebben geklopt
jullie hebben geklopt
zij/ze hebben geklopt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geklopt
jij/je had geklopt
hij/zij/het/u had geklopt
wij/we hadden geklopt
jullie hadden geklopt
zij/ze hadden geklopt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kloppen
jij/je zult kloppen
hij/zij/het/u zal kloppen
wij/we zullen kloppen
jullie zullen kloppen
zij/ze zullen kloppen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geklopt
jij/je zult hebben geklopt
hij/zij/het/u zal hebben geklopt
wij/we zullen hebben geklopt
jullie zullen hebben geklopt
zij/ze zullen hebben geklopt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kloppen
jij/je zou kloppen
hij/zij/het/u zou kloppen
wij/we zouden kloppen
jullie zouden kloppen
zij/ze zouden kloppen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geklopt
jij/je zou hebben geklopt
hij/zij/het/u zou hebben geklopt
wij/we zouden hebben geklopt
jullie zouden hebben geklopt
zij/ze zouden hebben geklopt
gebiedende wijs: klop
tegenwoordig deelwoord: kloppend
voltooid deelwoord: geklopt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik klop drie keer op de deur.
I knock on the door three times.
Onvoltooid verleden tijdPast
Iemand klopte gisteravond hard op het raam.
Someone knocked loudly on the window last night.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Oma heeft de slagroom stijf geklopt.
Grandma whipped the cream stiff.