Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik klim
jij/je klimt
hij/zij/het/u klimt
wij/we klimmen
jullie klimmen
zij/ze klimmen
onvoltooid verleden tijdpast
ik klom
jij/je klom
hij/zij/het/u klom
wij/we klommen
jullie klommen
zij/ze klommen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb geklommen
jij/je bent/hebt geklommen
hij/zij/het/u is/heeft geklommen
wij/we zijn/hebben geklommen
jullie zijn/hebben geklommen
zij/ze zijn/hebben geklommen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had geklommen
jij/je was/had geklommen
hij/zij/het/u was/had geklommen
wij/we waren/hadden geklommen
jullie waren/hadden geklommen
zij/ze waren/hadden geklommen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal klimmen
jij/je zult klimmen
hij/zij/het/u zal klimmen
wij/we zullen klimmen
jullie zullen klimmen
zij/ze zullen klimmen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben geklommen
jij/je zult zijn/hebben geklommen
hij/zij/het/u zal zijn/hebben geklommen
wij/we zullen zijn/hebben geklommen
jullie zullen zijn/hebben geklommen
zij/ze zullen zijn/hebben geklommen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou klimmen
jij/je zou klimmen
hij/zij/het/u zou klimmen
wij/we zouden klimmen
jullie zouden klimmen
zij/ze zouden klimmen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben geklommen
jij/je zou zijn/hebben geklommen
hij/zij/het/u zou zijn/hebben geklommen
wij/we zouden zijn/hebben geklommen
jullie zouden zijn/hebben geklommen
zij/ze zouden zijn/hebben geklommen
gebiedende wijs: klim
tegenwoordig deelwoord: klimmend
voltooid deelwoord: geklommen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kat klimt snel in de hoge boom.
The cat quickly climbs the tall tree.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij klommen vorige zomer op een berg in Oostenrijk.
Last summer we climbed a mountain in Austria.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij is over het hek geklommen.
He climbed over the fence.