Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kleur
jij/je kleurt
hij/zij/het/u kleurt
wij/we kleuren
jullie kleuren
zij/ze kleuren
onvoltooid verleden tijdpast
ik kleurde
jij/je kleurde
hij/zij/het/u kleurde
wij/we kleurden
jullie kleurden
zij/ze kleurden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekleurd
jij/je hebt gekleurd
hij/zij/het/u heeft gekleurd
wij/we hebben gekleurd
jullie hebben gekleurd
zij/ze hebben gekleurd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekleurd
jij/je had gekleurd
hij/zij/het/u had gekleurd
wij/we hadden gekleurd
jullie hadden gekleurd
zij/ze hadden gekleurd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kleuren
jij/je zult kleuren
hij/zij/het/u zal kleuren
wij/we zullen kleuren
jullie zullen kleuren
zij/ze zullen kleuren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekleurd
jij/je zult hebben gekleurd
hij/zij/het/u zal hebben gekleurd
wij/we zullen hebben gekleurd
jullie zullen hebben gekleurd
zij/ze zullen hebben gekleurd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kleuren
jij/je zou kleuren
hij/zij/het/u zou kleuren
wij/we zouden kleuren
jullie zouden kleuren
zij/ze zouden kleuren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekleurd
jij/je zou hebben gekleurd
hij/zij/het/u zou hebben gekleurd
wij/we zouden hebben gekleurd
jullie zouden hebben gekleurd
zij/ze zouden hebben gekleurd
gebiedende wijs: kleur
tegenwoordig deelwoord: kleurend
voltooid deelwoord: gekleurd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn dochter kleurt een tekening aan de keukentafel.
My daughter is coloring a drawing at the kitchen table.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kinderen kleurden de hele middag rustig.
The children colored quietly all afternoon.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de lucht blauw gekleurd.
I colored the sky blue.