Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kietel
jij/je kietelt
hij/zij/het/u kietelt
wij/we kietelen
jullie kietelen
zij/ze kietelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kietelde
jij/je kietelde
hij/zij/het/u kietelde
wij/we kietelden
jullie kietelden
zij/ze kietelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekieteld
jij/je hebt gekieteld
hij/zij/het/u heeft gekieteld
wij/we hebben gekieteld
jullie hebben gekieteld
zij/ze hebben gekieteld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekieteld
jij/je had gekieteld
hij/zij/het/u had gekieteld
wij/we hadden gekieteld
jullie hadden gekieteld
zij/ze hadden gekieteld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kietelen
jij/je zult kietelen
hij/zij/het/u zal kietelen
wij/we zullen kietelen
jullie zullen kietelen
zij/ze zullen kietelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekieteld
jij/je zult hebben gekieteld
hij/zij/het/u zal hebben gekieteld
wij/we zullen hebben gekieteld
jullie zullen hebben gekieteld
zij/ze zullen hebben gekieteld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kietelen
jij/je zou kietelen
hij/zij/het/u zou kietelen
wij/we zouden kietelen
jullie zouden kietelen
zij/ze zouden kietelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekieteld
jij/je zou hebben gekieteld
hij/zij/het/u zou hebben gekieteld
wij/we zouden hebben gekieteld
jullie zouden hebben gekieteld
zij/ze zouden hebben gekieteld
gebiedende wijs: kietel
tegenwoordig deelwoord: kietelend
voltooid deelwoord: gekieteld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik kietel mijn kleine zusje op de bank.
I tickle my little sister on the couch.
Onvoltooid verleden tijdPast
Opa kietelde de baby zachtjes onder haar kin.
Grandpa gently tickled the baby under her chin.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de hond op zijn buik gekieteld.
We tickled the dog on his belly.