Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik keer
jij/je keert
hij/zij/het/u keert
wij/we keren
jullie keren
zij/ze keren
onvoltooid verleden tijdpast
ik keerde
jij/je keerde
hij/zij/het/u keerde
wij/we keerden
jullie keerden
zij/ze keerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben/heb gekeerd
jij/je bent/hebt gekeerd
hij/zij/het/u is/heeft gekeerd
wij/we zijn/hebben gekeerd
jullie zijn/hebben gekeerd
zij/ze zijn/hebben gekeerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was/had gekeerd
jij/je was/had gekeerd
hij/zij/het/u was/had gekeerd
wij/we waren/hadden gekeerd
jullie waren/hadden gekeerd
zij/ze waren/hadden gekeerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal keren
jij/je zult keren
hij/zij/het/u zal keren
wij/we zullen keren
jullie zullen keren
zij/ze zullen keren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn/hebben gekeerd
jij/je zult zijn/hebben gekeerd
hij/zij/het/u zal zijn/hebben gekeerd
wij/we zullen zijn/hebben gekeerd
jullie zullen zijn/hebben gekeerd
zij/ze zullen zijn/hebben gekeerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou keren
jij/je zou keren
hij/zij/het/u zou keren
wij/we zouden keren
jullie zouden keren
zij/ze zouden keren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn/hebben gekeerd
jij/je zou zijn/hebben gekeerd
hij/zij/het/u zou zijn/hebben gekeerd
wij/we zouden zijn/hebben gekeerd
jullie zouden zijn/hebben gekeerd
zij/ze zouden zijn/hebben gekeerd
gebiedende wijs: keer
tegenwoordig deelwoord: kerend
voltooid deelwoord: gekeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De auto keert aan het einde van de straat.
The car turns around at the end of the street.
Onvoltooid verleden tijdPast
De bus keerde op het plein.
The bus turned around on the square.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij is bij het kruispunt gekeerd.
He turned around at the crossroads.