Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ken
jij/je kent
hij/zij/het/u kent
wij/we kennen
jullie kennen
zij/ze kennen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kende
jij/je kende
hij/zij/het/u kende
wij/we kenden
jullie kenden
zij/ze kenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekend
jij/je hebt gekend
hij/zij/het/u heeft gekend
wij/we hebben gekend
jullie hebben gekend
zij/ze hebben gekend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekend
jij/je had gekend
hij/zij/het/u had gekend
wij/we hadden gekend
jullie hadden gekend
zij/ze hadden gekend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kennen
jij/je zult kennen
hij/zij/het/u zal kennen
wij/we zullen kennen
jullie zullen kennen
zij/ze zullen kennen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekend
jij/je zult hebben gekend
hij/zij/het/u zal hebben gekend
wij/we zullen hebben gekend
jullie zullen hebben gekend
zij/ze zullen hebben gekend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kennen
jij/je zou kennen
hij/zij/het/u zou kennen
wij/we zouden kennen
jullie zouden kennen
zij/ze zouden kennen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekend
jij/je zou hebben gekend
hij/zij/het/u zou hebben gekend
wij/we zouden hebben gekend
jullie zouden hebben gekend
zij/ze zouden hebben gekend
gebiedende wijs: ken
tegenwoordig deelwoord: kennend
voltooid deelwoord: gekend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik ken de buren al twintig jaar.
I have known the neighbors for twenty years.
Onvoltooid verleden tijdPast
Mijn oma kende iedereen in het dorp.
My grandma knew everyone in the village.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt haar langer gekend dan ik.
You have known her longer than I have.