Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kap
jij/je kapt
hij/zij/het/u kapt
wij/we kappen
jullie kappen
zij/ze kappen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kapte
jij/je kapte
hij/zij/het/u kapte
wij/we kapten
jullie kapten
zij/ze kapten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekapt
jij/je hebt gekapt
hij/zij/het/u heeft gekapt
wij/we hebben gekapt
jullie hebben gekapt
zij/ze hebben gekapt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekapt
jij/je had gekapt
hij/zij/het/u had gekapt
wij/we hadden gekapt
jullie hadden gekapt
zij/ze hadden gekapt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kappen
jij/je zult kappen
hij/zij/het/u zal kappen
wij/we zullen kappen
jullie zullen kappen
zij/ze zullen kappen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekapt
jij/je zult hebben gekapt
hij/zij/het/u zal hebben gekapt
wij/we zullen hebben gekapt
jullie zullen hebben gekapt
zij/ze zullen hebben gekapt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kappen
jij/je zou kappen
hij/zij/het/u zou kappen
wij/we zouden kappen
jullie zouden kappen
zij/ze zouden kappen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekapt
jij/je zou hebben gekapt
hij/zij/het/u zou hebben gekapt
wij/we zouden hebben gekapt
jullie zouden hebben gekapt
zij/ze zouden hebben gekapt
gebiedende wijs: kap
tegenwoordig deelwoord: kappend
voltooid deelwoord: gekapt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De gemeente kapt de zieke bomen in het park.
The municipality is cutting down the sick trees in the park.
Onvoltooid verleden tijdPast
De tuinman kapte de oude eik in de achtertuin.
The gardener cut down the old oak in the backyard.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij hebben gisteren drie bomen gekapt.
They cut down three trees yesterday.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De werkmannen zullen de zieke bomen voor de winter hebben gekapt.
The workers will have cut down the sick trees before winter.