Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik kam
jij/je kamt
hij/zij/het/u kamt
wij/we kammen
jullie kammen
zij/ze kammen
onvoltooid verleden tijdpast
ik kamde
jij/je kamde
hij/zij/het/u kamde
wij/we kamden
jullie kamden
zij/ze kamden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gekamd
jij/je hebt gekamd
hij/zij/het/u heeft gekamd
wij/we hebben gekamd
jullie hebben gekamd
zij/ze hebben gekamd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gekamd
jij/je had gekamd
hij/zij/het/u had gekamd
wij/we hadden gekamd
jullie hadden gekamd
zij/ze hadden gekamd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal kammen
jij/je zult kammen
hij/zij/het/u zal kammen
wij/we zullen kammen
jullie zullen kammen
zij/ze zullen kammen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gekamd
jij/je zult hebben gekamd
hij/zij/het/u zal hebben gekamd
wij/we zullen hebben gekamd
jullie zullen hebben gekamd
zij/ze zullen hebben gekamd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou kammen
jij/je zou kammen
hij/zij/het/u zou kammen
wij/we zouden kammen
jullie zouden kammen
zij/ze zouden kammen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gekamd
jij/je zou hebben gekamd
hij/zij/het/u zou hebben gekamd
wij/we zouden hebben gekamd
jullie zouden hebben gekamd
zij/ze zouden hebben gekamd
gebiedende wijs: kam
tegenwoordig deelwoord: kammend
voltooid deelwoord: gekamd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik kam elke ochtend mijn haar.
I comb my hair every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij kamde het haar van haar dochter.
She combed her daughter's hair.
Gebiedende wijsImperative
Kam je haar even voor de foto.
Comb your hair quickly before the photo.