Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik jok
jij/je jokt
hij/zij/het/u jokt
wij/we jokken
jullie jokken
zij/ze jokken
onvoltooid verleden tijdpast
ik jokte
jij/je jokte
hij/zij/het/u jokte
wij/we jokten
jullie jokten
zij/ze jokten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gejokt
jij/je hebt gejokt
hij/zij/het/u heeft gejokt
wij/we hebben gejokt
jullie hebben gejokt
zij/ze hebben gejokt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gejokt
jij/je had gejokt
hij/zij/het/u had gejokt
wij/we hadden gejokt
jullie hadden gejokt
zij/ze hadden gejokt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal jokken
jij/je zult jokken
hij/zij/het/u zal jokken
wij/we zullen jokken
jullie zullen jokken
zij/ze zullen jokken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gejokt
jij/je zult hebben gejokt
hij/zij/het/u zal hebben gejokt
wij/we zullen hebben gejokt
jullie zullen hebben gejokt
zij/ze zullen hebben gejokt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou jokken
jij/je zou jokken
hij/zij/het/u zou jokken
wij/we zouden jokken
jullie zouden jokken
zij/ze zouden jokken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gejokt
jij/je zou hebben gejokt
hij/zij/het/u zou hebben gejokt
wij/we zouden hebben gejokt
jullie zouden hebben gejokt
zij/ze zouden hebben gejokt
gebiedende wijs: jok
tegenwoordig deelwoord: jokkend
voltooid deelwoord: gejokt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn zusje jokt soms over haar huiswerk.
My little sister sometimes fibs about her homework.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij jokte over zijn leeftijd.
He fibbed about his age.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt over de koekjes gejokt.
You fibbed about the cookies.