Dutch Conjugations - JATTEN Hidden OG Image
  polytripper

  


jatten
   
- to steal (slang)

weak (zwak) regular aux: hebben


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
jat
jatte
heb gejat
jij/je
jat
jatte
hebt gejat
hij/zij/het/u
jat
jatte
heeft gejat
wij/we
jatten
jatten
hebben gejat
jullie
jatten
jatten
hebben gejat
zij/ze
jatten
jatten
hebben gejat

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had gejat
zal jatten
zal hebben gejat
jij/je
had gejat
zult jatten
zult hebben gejat
hij/zij/het/u
had gejat
zal jatten
zal hebben gejat
wij/we
hadden gejat
zullen jatten
zullen hebben gejat
jullie
hadden gejat
zullen jatten
zullen hebben gejat
zij/ze
hadden gejat
zullen jatten
zullen hebben gejat

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou jatten
zou hebben gejat
jij/je
zou jatten
zou hebben gejat
hij/zij/het/u
zou jatten
zou hebben gejat
wij/we
zouden jatten
zouden hebben gejat
jullie
zouden jatten
zouden hebben gejat
zij/ze
zouden jatten
zouden hebben gejat

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik jat

jij/je jat

hij/zij/het/u jat

wij/we jatten

jullie jatten

zij/ze jatten


onvoltooid verleden tijdpast

ik jatte

jij/je jatte

hij/zij/het/u jatte

wij/we jatten

jullie jatten

zij/ze jatten


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb gejat

jij/je hebt gejat

hij/zij/het/u heeft gejat

wij/we hebben gejat

jullie hebben gejat

zij/ze hebben gejat


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had gejat

jij/je had gejat

hij/zij/het/u had gejat

wij/we hadden gejat

jullie hadden gejat

zij/ze hadden gejat


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal jatten

jij/je zult jatten

hij/zij/het/u zal jatten

wij/we zullen jatten

jullie zullen jatten

zij/ze zullen jatten


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben gejat

jij/je zult hebben gejat

hij/zij/het/u zal hebben gejat

wij/we zullen hebben gejat

jullie zullen hebben gejat

zij/ze zullen hebben gejat


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou jatten

jij/je zou jatten

hij/zij/het/u zou jatten

wij/we zouden jatten

jullie zouden jatten

zij/ze zouden jatten


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben gejat

jij/je zou hebben gejat

hij/zij/het/u zou hebben gejat

wij/we zouden hebben gejat

jullie zouden hebben gejat

zij/ze zouden hebben gejat



gebiedende wijs: jat

tegenwoordig deelwoord: jattend

voltooid deelwoord: gejat


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

Hij jat snoep uit de winkel.

He steals candy from the store.


Onvoltooid verleden tijdPast

Toen we kinderen waren, jatten we appels uit de boom van de buurman.

When we were kids, we used to steal apples from the neighbor's tree.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Ze hebben gisteren mijn fiets gejat.

They stole my bike yesterday.