Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik jank
jij/je jankt
hij/zij/het/u jankt
wij/we janken
jullie janken
zij/ze janken
onvoltooid verleden tijdpast
ik jankte
jij/je jankte
hij/zij/het/u jankte
wij/we jankten
jullie jankten
zij/ze jankten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gejankt
jij/je hebt gejankt
hij/zij/het/u heeft gejankt
wij/we hebben gejankt
jullie hebben gejankt
zij/ze hebben gejankt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gejankt
jij/je had gejankt
hij/zij/het/u had gejankt
wij/we hadden gejankt
jullie hadden gejankt
zij/ze hadden gejankt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal janken
jij/je zult janken
hij/zij/het/u zal janken
wij/we zullen janken
jullie zullen janken
zij/ze zullen janken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gejankt
jij/je zult hebben gejankt
hij/zij/het/u zal hebben gejankt
wij/we zullen hebben gejankt
jullie zullen hebben gejankt
zij/ze zullen hebben gejankt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou janken
jij/je zou janken
hij/zij/het/u zou janken
wij/we zouden janken
jullie zouden janken
zij/ze zouden janken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gejankt
jij/je zou hebben gejankt
hij/zij/het/u zou hebben gejankt
wij/we zouden hebben gejankt
jullie zouden hebben gejankt
zij/ze zouden hebben gejankt
gebiedende wijs: jank
tegenwoordig deelwoord: jankend
voltooid deelwoord: gejankt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De puppy jankt zachtjes bij de deur.
The puppy is whining softly at the door.
Onvoltooid verleden tijdPast
De wind jankte de hele nacht om het huis.
The wind howled around the house all night.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb gejankt bij het einde van die film.
I cried at the end of that film.
Voltooid verleden tijdPast perfect
De hond had de hele nacht bij de deur gejankt.
The dog had whined all night at the door.