Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik jaag
jij/je jaagt
hij/zij/het/u jaagt
wij/we jagen
jullie jagen
zij/ze jagen
onvoltooid verleden tijdpast
ik joeg/jaagde
jij/je joeg/jaagde
hij/zij/het/u joeg/jaagde
wij/we joegen/jaagden
jullie joegen/jaagden
zij/ze joegen/jaagden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gejaagd
jij/je hebt gejaagd
hij/zij/het/u heeft gejaagd
wij/we hebben gejaagd
jullie hebben gejaagd
zij/ze hebben gejaagd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gejaagd
jij/je had gejaagd
hij/zij/het/u had gejaagd
wij/we hadden gejaagd
jullie hadden gejaagd
zij/ze hadden gejaagd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal jagen
jij/je zult jagen
hij/zij/het/u zal jagen
wij/we zullen jagen
jullie zullen jagen
zij/ze zullen jagen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gejaagd
jij/je zult hebben gejaagd
hij/zij/het/u zal hebben gejaagd
wij/we zullen hebben gejaagd
jullie zullen hebben gejaagd
zij/ze zullen hebben gejaagd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou jagen
jij/je zou jagen
hij/zij/het/u zou jagen
wij/we zouden jagen
jullie zouden jagen
zij/ze zouden jagen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gejaagd
jij/je zou hebben gejaagd
hij/zij/het/u zou hebben gejaagd
wij/we zouden hebben gejaagd
jullie zouden hebben gejaagd
zij/ze zouden hebben gejaagd
gebiedende wijs: jaag
tegenwoordig deelwoord: jagend
voltooid deelwoord: gejaagd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kat jaagt op muizen in de schuur.
The cat hunts mice in the shed.
Onvoltooid verleden tijdPast
De hond joeg de duiven uit de tuin.
The dog chased the pigeons out of the garden.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Mijn opa heeft vroeger op konijnen gejaagd.
My grandpa used to hunt rabbits.