Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik heet
jij/je heet
hij/zij/het/u heet
wij/we heten
jullie heten
zij/ze heten
onvoltooid verleden tijdpast
ik heette
jij/je heette
hij/zij/het/u heette
wij/we heetten
jullie heetten
zij/ze heetten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geheten
jij/je hebt geheten
hij/zij/het/u heeft geheten
wij/we hebben geheten
jullie hebben geheten
zij/ze hebben geheten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geheten
jij/je had geheten
hij/zij/het/u had geheten
wij/we hadden geheten
jullie hadden geheten
zij/ze hadden geheten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal heten
jij/je zult heten
hij/zij/het/u zal heten
wij/we zullen heten
jullie zullen heten
zij/ze zullen heten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geheten
jij/je zult hebben geheten
hij/zij/het/u zal hebben geheten
wij/we zullen hebben geheten
jullie zullen hebben geheten
zij/ze zullen hebben geheten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou heten
jij/je zou heten
hij/zij/het/u zou heten
wij/we zouden heten
jullie zouden heten
zij/ze zouden heten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geheten
jij/je zou hebben geheten
hij/zij/het/u zou hebben geheten
wij/we zouden hebben geheten
jullie zouden hebben geheten
zij/ze zouden hebben geheten
gebiedende wijs: heet
tegenwoordig deelwoord: hetend
voltooid deelwoord: geheten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Onze hond heet Max.
Our dog is called Max.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vroeger heette deze straat de Kerkstraat.
This street used to be called Kerkstraat.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
De baby zal Sofia heten.
The baby will be called Sofia.