Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik herinner
jij/je herinnert
hij/zij/het/u herinnert
wij/we herinneren
jullie herinneren
zij/ze herinneren
onvoltooid verleden tijdpast
ik herinnerde
jij/je herinnerde
hij/zij/het/u herinnerde
wij/we herinnerden
jullie herinnerden
zij/ze herinnerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb herinnerd
jij/je hebt herinnerd
hij/zij/het/u heeft herinnerd
wij/we hebben herinnerd
jullie hebben herinnerd
zij/ze hebben herinnerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had herinnerd
jij/je had herinnerd
hij/zij/het/u had herinnerd
wij/we hadden herinnerd
jullie hadden herinnerd
zij/ze hadden herinnerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal herinneren
jij/je zult herinneren
hij/zij/het/u zal herinneren
wij/we zullen herinneren
jullie zullen herinneren
zij/ze zullen herinneren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben herinnerd
jij/je zult hebben herinnerd
hij/zij/het/u zal hebben herinnerd
wij/we zullen hebben herinnerd
jullie zullen hebben herinnerd
zij/ze zullen hebben herinnerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou herinneren
jij/je zou herinneren
hij/zij/het/u zou herinneren
wij/we zouden herinneren
jullie zouden herinneren
zij/ze zouden herinneren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben herinnerd
jij/je zou hebben herinnerd
hij/zij/het/u zou hebben herinnerd
wij/we zouden hebben herinnerd
jullie zouden hebben herinnerd
zij/ze zouden hebben herinnerd
gebiedende wijs: herinner
tegenwoordig deelwoord: herinnerend
voltooid deelwoord: herinnerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik herinner me die zomer nog goed.
I still remember that summer well.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij herinnerde hem aan zijn afspraak bij de tandarts.
She reminded him of his dentist appointment.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft me gisteren aan de vergadering herinnerd.
He reminded me of the meeting yesterday.