Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik heb
jij/je hebt
hij/zij/het/u heeft
wij/we hebben
jullie hebben
zij/ze hebben
onvoltooid verleden tijdpast
ik had
jij/je had
hij/zij/het/u had
wij/we hadden
jullie hadden
zij/ze hadden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gehad
jij/je hebt gehad
hij/zij/het/u heeft gehad
wij/we hebben gehad
jullie hebben gehad
zij/ze hebben gehad
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gehad
jij/je had gehad
hij/zij/het/u had gehad
wij/we hadden gehad
jullie hadden gehad
zij/ze hadden gehad
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal hebben
jij/je zult hebben
hij/zij/het/u zal hebben
wij/we zullen hebben
jullie zullen hebben
zij/ze zullen hebben
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gehad
jij/je zult hebben gehad
hij/zij/het/u zal hebben gehad
wij/we zullen hebben gehad
jullie zullen hebben gehad
zij/ze zullen hebben gehad
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou hebben
jij/je zou hebben
hij/zij/het/u zou hebben
wij/we zouden hebben
jullie zouden hebben
zij/ze zouden hebben
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gehad
jij/je zou hebben gehad
hij/zij/het/u zou hebben gehad
wij/we zouden hebben gehad
jullie zouden hebben gehad
zij/ze zouden hebben gehad
gebiedende wijs: heb
tegenwoordig deelwoord: hebbend
voltooid deelwoord: gehad
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij hebben vandaag veel werk.
They have a lot of work today.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Je zult morgen genoeg tijd hebben.
You will have plenty of time tomorrow.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Zij zou meer tijd hebben als ze thuis werkte.
She would have more time if she worked from home.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Met die baan zou hij meer vrije tijd hebben gehad.
With that job, he would have had more free time.