Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik haal
jij/je haalt
hij/zij/het/u haalt
wij/we halen
jullie halen
zij/ze halen
onvoltooid verleden tijdpast
ik haalde
jij/je haalde
hij/zij/het/u haalde
wij/we haalden
jullie haalden
zij/ze haalden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gehaald
jij/je hebt gehaald
hij/zij/het/u heeft gehaald
wij/we hebben gehaald
jullie hebben gehaald
zij/ze hebben gehaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gehaald
jij/je had gehaald
hij/zij/het/u had gehaald
wij/we hadden gehaald
jullie hadden gehaald
zij/ze hadden gehaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal halen
jij/je zult halen
hij/zij/het/u zal halen
wij/we zullen halen
jullie zullen halen
zij/ze zullen halen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gehaald
jij/je zult hebben gehaald
hij/zij/het/u zal hebben gehaald
wij/we zullen hebben gehaald
jullie zullen hebben gehaald
zij/ze zullen hebben gehaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou halen
jij/je zou halen
hij/zij/het/u zou halen
wij/we zouden halen
jullie zouden halen
zij/ze zouden halen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gehaald
jij/je zou hebben gehaald
hij/zij/het/u zou hebben gehaald
wij/we zouden hebben gehaald
jullie zouden hebben gehaald
zij/ze zouden hebben gehaald
gebiedende wijs: haal
tegenwoordig deelwoord: halend
voltooid deelwoord: gehaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik haal even brood bij de bakker.
I am quickly getting bread at the bakery.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij haalde zijn zus van het station.
He picked his sister up from the station.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben koffie gehaald voor het hele team.
We got coffee for the whole team.