Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik haast
jij/je haast
hij/zij/het/u haast
wij/we haasten
jullie haasten
zij/ze haasten
onvoltooid verleden tijdpast
ik haastte
jij/je haastte
hij/zij/het/u haastte
wij/we haastten
jullie haastten
zij/ze haastten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gehaast
jij/je hebt gehaast
hij/zij/het/u heeft gehaast
wij/we hebben gehaast
jullie hebben gehaast
zij/ze hebben gehaast
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gehaast
jij/je had gehaast
hij/zij/het/u had gehaast
wij/we hadden gehaast
jullie hadden gehaast
zij/ze hadden gehaast
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal haasten
jij/je zult haasten
hij/zij/het/u zal haasten
wij/we zullen haasten
jullie zullen haasten
zij/ze zullen haasten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gehaast
jij/je zult hebben gehaast
hij/zij/het/u zal hebben gehaast
wij/we zullen hebben gehaast
jullie zullen hebben gehaast
zij/ze zullen hebben gehaast
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou haasten
jij/je zou haasten
hij/zij/het/u zou haasten
wij/we zouden haasten
jullie zouden haasten
zij/ze zouden haasten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gehaast
jij/je zou hebben gehaast
hij/zij/het/u zou hebben gehaast
wij/we zouden hebben gehaast
jullie zouden hebben gehaast
zij/ze zouden hebben gehaast
gebiedende wijs: haast
tegenwoordig deelwoord: haastend
voltooid deelwoord: gehaast
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik haast me elke ochtend naar het station.
I hurry to the station every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij haastte zich door de regen naar huis.
She hurried home through the rain.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben ons vanochtend erg gehaast.
We were in a big rush this morning.