Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik groei
jij/je groeit
hij/zij/het/u groeit
wij/we groeien
jullie groeien
zij/ze groeien
onvoltooid verleden tijdpast
ik groeide
jij/je groeide
hij/zij/het/u groeide
wij/we groeiden
jullie groeiden
zij/ze groeiden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gegroeid
jij/je bent gegroeid
hij/zij/het/u is gegroeid
wij/we zijn gegroeid
jullie zijn gegroeid
zij/ze zijn gegroeid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gegroeid
jij/je was gegroeid
hij/zij/het/u was gegroeid
wij/we waren gegroeid
jullie waren gegroeid
zij/ze waren gegroeid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal groeien
jij/je zult groeien
hij/zij/het/u zal groeien
wij/we zullen groeien
jullie zullen groeien
zij/ze zullen groeien
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gegroeid
jij/je zult zijn gegroeid
hij/zij/het/u zal zijn gegroeid
wij/we zullen zijn gegroeid
jullie zullen zijn gegroeid
zij/ze zullen zijn gegroeid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou groeien
jij/je zou groeien
hij/zij/het/u zou groeien
wij/we zouden groeien
jullie zouden groeien
zij/ze zouden groeien
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gegroeid
jij/je zou zijn gegroeid
hij/zij/het/u zou zijn gegroeid
wij/we zouden zijn gegroeid
jullie zouden zijn gegroeid
zij/ze zouden zijn gegroeid
gebiedende wijs: groei
tegenwoordig deelwoord: groeiend
voltooid deelwoord: gegroeid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De zonnebloem groeit snel in de zomer.
The sunflower grows fast in summer.
Onvoltooid verleden tijdPast
De tomaten groeiden goed in de kas.
The tomatoes grew well in the greenhouse.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij bent dit jaar flink gegroeid!
You have grown a lot this year!
Voltooid verleden tijdPast perfect
De boom was in tien jaar enorm gegroeid.
The tree had grown enormously in ten years.