Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik glim
jij/je glimt
hij/zij/het/u glimt
wij/we glimmen
jullie glimmen
zij/ze glimmen
onvoltooid verleden tijdpast
ik glom
jij/je glom
hij/zij/het/u glom
wij/we glommen
jullie glommen
zij/ze glommen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geglommen
jij/je hebt geglommen
hij/zij/het/u heeft geglommen
wij/we hebben geglommen
jullie hebben geglommen
zij/ze hebben geglommen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geglommen
jij/je had geglommen
hij/zij/het/u had geglommen
wij/we hadden geglommen
jullie hadden geglommen
zij/ze hadden geglommen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal glimmen
jij/je zult glimmen
hij/zij/het/u zal glimmen
wij/we zullen glimmen
jullie zullen glimmen
zij/ze zullen glimmen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geglommen
jij/je zult hebben geglommen
hij/zij/het/u zal hebben geglommen
wij/we zullen hebben geglommen
jullie zullen hebben geglommen
zij/ze zullen hebben geglommen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou glimmen
jij/je zou glimmen
hij/zij/het/u zou glimmen
wij/we zouden glimmen
jullie zouden glimmen
zij/ze zouden glimmen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geglommen
jij/je zou hebben geglommen
hij/zij/het/u zou hebben geglommen
wij/we zouden hebben geglommen
jullie zouden hebben geglommen
zij/ze zouden hebben geglommen
gebiedende wijs: glim
tegenwoordig deelwoord: glimmend
voltooid deelwoord: geglommen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De schone ramen glimmen in de zon.
The clean windows gleam in the sun.
Onvoltooid verleden tijdPast
De auto glom na de wasbeurt.
The car shone after the wash.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
De vloer zal na het boenen weer glimmen.
The floor will shine again after polishing.