Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik geloof
jij/je gelooft
hij/zij/het/u gelooft
wij/we geloven
jullie geloven
zij/ze geloven
onvoltooid verleden tijdpast
ik geloofde
jij/je geloofde
hij/zij/het/u geloofde
wij/we geloofden
jullie geloofden
zij/ze geloofden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geloofd
jij/je hebt geloofd
hij/zij/het/u heeft geloofd
wij/we hebben geloofd
jullie hebben geloofd
zij/ze hebben geloofd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geloofd
jij/je had geloofd
hij/zij/het/u had geloofd
wij/we hadden geloofd
jullie hadden geloofd
zij/ze hadden geloofd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal geloven
jij/je zult geloven
hij/zij/het/u zal geloven
wij/we zullen geloven
jullie zullen geloven
zij/ze zullen geloven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geloofd
jij/je zult hebben geloofd
hij/zij/het/u zal hebben geloofd
wij/we zullen hebben geloofd
jullie zullen hebben geloofd
zij/ze zullen hebben geloofd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou geloven
jij/je zou geloven
hij/zij/het/u zou geloven
wij/we zouden geloven
jullie zouden geloven
zij/ze zouden geloven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geloofd
jij/je zou hebben geloofd
hij/zij/het/u zou hebben geloofd
wij/we zouden hebben geloofd
jullie zouden hebben geloofd
zij/ze zouden hebben geloofd
gebiedende wijs: geloof
tegenwoordig deelwoord: gelovend
voltooid deelwoord: geloofd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij gelooft toch niet in spoken?
You don't believe in ghosts, do you?
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij geloofden vroeger in Sinterklaas.
We used to believe in Sinterklaas.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb zijn verhaal nooit geloofd.
I never believed his story.