Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik gebruik
jij/je gebruikt
hij/zij/het/u gebruikt
wij/we gebruiken
jullie gebruiken
zij/ze gebruiken
onvoltooid verleden tijdpast
ik gebruikte
jij/je gebruikte
hij/zij/het/u gebruikte
wij/we gebruikten
jullie gebruikten
zij/ze gebruikten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gebruikt
jij/je hebt gebruikt
hij/zij/het/u heeft gebruikt
wij/we hebben gebruikt
jullie hebben gebruikt
zij/ze hebben gebruikt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gebruikt
jij/je had gebruikt
hij/zij/het/u had gebruikt
wij/we hadden gebruikt
jullie hadden gebruikt
zij/ze hadden gebruikt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal gebruiken
jij/je zult gebruiken
hij/zij/het/u zal gebruiken
wij/we zullen gebruiken
jullie zullen gebruiken
zij/ze zullen gebruiken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gebruikt
jij/je zult hebben gebruikt
hij/zij/het/u zal hebben gebruikt
wij/we zullen hebben gebruikt
jullie zullen hebben gebruikt
zij/ze zullen hebben gebruikt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou gebruiken
jij/je zou gebruiken
hij/zij/het/u zou gebruiken
wij/we zouden gebruiken
jullie zouden gebruiken
zij/ze zouden gebruiken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gebruikt
jij/je zou hebben gebruikt
hij/zij/het/u zou hebben gebruikt
wij/we zouden hebben gebruikt
jullie zouden hebben gebruikt
zij/ze zouden hebben gebruikt
gebiedende wijs: gebruik
tegenwoordig deelwoord: gebruikend
voltooid deelwoord: gebruikt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik gebruik elke dag mijn fiets voor het werk.
I use my bike for work every day.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft mijn laptop voor de presentatie gebruikt.
He used my laptop for the presentation.
Gebiedende wijsImperative
Gebruik een scherp mes voor de tomaten.
Use a sharp knife for the tomatoes.