Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ga
jij/je gaat
hij/zij/het/u gaat
wij/we gaan
jullie gaan
zij/ze gaan
onvoltooid verleden tijdpast
ik ging
jij/je ging
hij/zij/het/u ging
wij/we gingen
jullie gingen
zij/ze gingen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gegaan
jij/je bent gegaan
hij/zij/het/u is gegaan
wij/we zijn gegaan
jullie zijn gegaan
zij/ze zijn gegaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gegaan
jij/je was gegaan
hij/zij/het/u was gegaan
wij/we waren gegaan
jullie waren gegaan
zij/ze waren gegaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal gaan
jij/je zult gaan
hij/zij/het/u zal gaan
wij/we zullen gaan
jullie zullen gaan
zij/ze zullen gaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gegaan
jij/je zult zijn gegaan
hij/zij/het/u zal zijn gegaan
wij/we zullen zijn gegaan
jullie zullen zijn gegaan
zij/ze zullen zijn gegaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou gaan
jij/je zou gaan
hij/zij/het/u zou gaan
wij/we zouden gaan
jullie zouden gaan
zij/ze zouden gaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gegaan
jij/je zou zijn gegaan
hij/zij/het/u zou zijn gegaan
wij/we zouden zijn gegaan
jullie zouden zijn gegaan
zij/ze zouden zijn gegaan
gebiedende wijs: ga
tegenwoordig deelwoord: gaand
voltooid deelwoord: gegaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij gaan zaterdag naar de markt.
We are going to the market on Saturday.
Onvoltooid verleden tijdPast
Ik ging vorige week met de fiets naar school.
Last week I went to school by bike.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Jullie zullen deze zomer naar Spanje gaan.
You will go to Spain this summer.