Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik evalueer
jij/je evalueert
hij/zij/het/u evalueert
wij/we evalueren
jullie evalueren
zij/ze evalueren
onvoltooid verleden tijdpast
ik evalueerde
jij/je evalueerde
hij/zij/het/u evalueerde
wij/we evalueerden
jullie evalueerden
zij/ze evalueerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geëvalueerd
jij/je hebt geëvalueerd
hij/zij/het/u heeft geëvalueerd
wij/we hebben geëvalueerd
jullie hebben geëvalueerd
zij/ze hebben geëvalueerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geëvalueerd
jij/je had geëvalueerd
hij/zij/het/u had geëvalueerd
wij/we hadden geëvalueerd
jullie hadden geëvalueerd
zij/ze hadden geëvalueerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal evalueren
jij/je zult evalueren
hij/zij/het/u zal evalueren
wij/we zullen evalueren
jullie zullen evalueren
zij/ze zullen evalueren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geëvalueerd
jij/je zult hebben geëvalueerd
hij/zij/het/u zal hebben geëvalueerd
wij/we zullen hebben geëvalueerd
jullie zullen hebben geëvalueerd
zij/ze zullen hebben geëvalueerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou evalueren
jij/je zou evalueren
hij/zij/het/u zou evalueren
wij/we zouden evalueren
jullie zouden evalueren
zij/ze zouden evalueren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geëvalueerd
jij/je zou hebben geëvalueerd
hij/zij/het/u zou hebben geëvalueerd
wij/we zouden hebben geëvalueerd
jullie zouden hebben geëvalueerd
zij/ze zouden hebben geëvalueerd
gebiedende wijs: evalueer
tegenwoordig deelwoord: evaluerend
voltooid deelwoord: geëvalueerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik evalueer elke vrijdag mijn week.
I evaluate my week every Friday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De docent heeft de lessen met ons geëvalueerd.
The teacher evaluated the lessons with us.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen het project volgende maand evalueren.
We will evaluate the project next month.