Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik evacueer
jij/je evacueert
hij/zij/het/u evacueert
wij/we evacueren
jullie evacueren
zij/ze evacueren
onvoltooid verleden tijdpast
ik evacueerde
jij/je evacueerde
hij/zij/het/u evacueerde
wij/we evacueerden
jullie evacueerden
zij/ze evacueerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geëvacueerd
jij/je hebt geëvacueerd
hij/zij/het/u heeft geëvacueerd
wij/we hebben geëvacueerd
jullie hebben geëvacueerd
zij/ze hebben geëvacueerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geëvacueerd
jij/je had geëvacueerd
hij/zij/het/u had geëvacueerd
wij/we hadden geëvacueerd
jullie hadden geëvacueerd
zij/ze hadden geëvacueerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal evacueren
jij/je zult evacueren
hij/zij/het/u zal evacueren
wij/we zullen evacueren
jullie zullen evacueren
zij/ze zullen evacueren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geëvacueerd
jij/je zult hebben geëvacueerd
hij/zij/het/u zal hebben geëvacueerd
wij/we zullen hebben geëvacueerd
jullie zullen hebben geëvacueerd
zij/ze zullen hebben geëvacueerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou evacueren
jij/je zou evacueren
hij/zij/het/u zou evacueren
wij/we zouden evacueren
jullie zouden evacueren
zij/ze zouden evacueren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geëvacueerd
jij/je zou hebben geëvacueerd
hij/zij/het/u zou hebben geëvacueerd
wij/we zouden hebben geëvacueerd
jullie zouden hebben geëvacueerd
zij/ze zouden hebben geëvacueerd
gebiedende wijs: evacueer
tegenwoordig deelwoord: evacuerend
voltooid deelwoord: geëvacueerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De brandweerlieden evacueren het oude gebouw.
The firefighters are evacuating the old building.
Onvoltooid verleden tijdPast
De politie evacueerde het station na de melding.
The police evacuated the station after the report.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben alle bewoners snel geëvacueerd.
We evacuated all the residents quickly.