Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik eet
jij/je eet
hij/zij/het/u eet
wij/we eten
jullie eten
zij/ze eten
onvoltooid verleden tijdpast
ik at
jij/je at
hij/zij/het/u at
wij/we aten
jullie aten
zij/ze aten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gegeten
jij/je hebt gegeten
hij/zij/het/u heeft gegeten
wij/we hebben gegeten
jullie hebben gegeten
zij/ze hebben gegeten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gegeten
jij/je had gegeten
hij/zij/het/u had gegeten
wij/we hadden gegeten
jullie hadden gegeten
zij/ze hadden gegeten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal eten
jij/je zult eten
hij/zij/het/u zal eten
wij/we zullen eten
jullie zullen eten
zij/ze zullen eten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gegeten
jij/je zult hebben gegeten
hij/zij/het/u zal hebben gegeten
wij/we zullen hebben gegeten
jullie zullen hebben gegeten
zij/ze zullen hebben gegeten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou eten
jij/je zou eten
hij/zij/het/u zou eten
wij/we zouden eten
jullie zouden eten
zij/ze zouden eten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gegeten
jij/je zou hebben gegeten
hij/zij/het/u zou hebben gegeten
wij/we zouden hebben gegeten
jullie zouden hebben gegeten
zij/ze zouden hebben gegeten
gebiedende wijs: eet
tegenwoordig deelwoord: etend
voltooid deelwoord: gegeten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij eten vanavond pasta met tomatensaus.
We are eating pasta with tomato sauce tonight.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij at gisteren een broodje kaas op het werk.
He ate a cheese sandwich at work yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb vanmiddag te veel gegeten.
I ate too much this afternoon.