Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik erf
jij/je erft
hij/zij/het/u erft
wij/we erven
jullie erven
zij/ze erven
onvoltooid verleden tijdpast
ik erfde
jij/je erfde
hij/zij/het/u erfde
wij/we erfden
jullie erfden
zij/ze erfden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geërfd
jij/je hebt geërfd
hij/zij/het/u heeft geërfd
wij/we hebben geërfd
jullie hebben geërfd
zij/ze hebben geërfd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geërfd
jij/je had geërfd
hij/zij/het/u had geërfd
wij/we hadden geërfd
jullie hadden geërfd
zij/ze hadden geërfd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal erven
jij/je zult erven
hij/zij/het/u zal erven
wij/we zullen erven
jullie zullen erven
zij/ze zullen erven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geërfd
jij/je zult hebben geërfd
hij/zij/het/u zal hebben geërfd
wij/we zullen hebben geërfd
jullie zullen hebben geërfd
zij/ze zullen hebben geërfd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou erven
jij/je zou erven
hij/zij/het/u zou erven
wij/we zouden erven
jullie zouden erven
zij/ze zouden erven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geërfd
jij/je zou hebben geërfd
hij/zij/het/u zou hebben geërfd
wij/we zouden hebben geërfd
jullie zouden hebben geërfd
zij/ze zouden hebben geërfd
gebiedende wijs: erf
tegenwoordig deelwoord: ervend
voltooid deelwoord: geërfd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij erft de oude klok van zijn opa.
He inherits the old clock from his grandfather.
Onvoltooid verleden tijdPast
Ik erfde vorig jaar een boekenkast van mijn tante.
Last year I inherited a bookcase from my aunt.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kinderen hebben het huis samen geërfd.
The children inherited the house together.