Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik erger
jij/je ergert
hij/zij/het/u ergert
wij/we ergeren
jullie ergeren
zij/ze ergeren
onvoltooid verleden tijdpast
ik ergerde
jij/je ergerde
hij/zij/het/u ergerde
wij/we ergerden
jullie ergerden
zij/ze ergerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geërgerd
jij/je hebt geërgerd
hij/zij/het/u heeft geërgerd
wij/we hebben geërgerd
jullie hebben geërgerd
zij/ze hebben geërgerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geërgerd
jij/je had geërgerd
hij/zij/het/u had geërgerd
wij/we hadden geërgerd
jullie hadden geërgerd
zij/ze hadden geërgerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal ergeren
jij/je zult ergeren
hij/zij/het/u zal ergeren
wij/we zullen ergeren
jullie zullen ergeren
zij/ze zullen ergeren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geërgerd
jij/je zult hebben geërgerd
hij/zij/het/u zal hebben geërgerd
wij/we zullen hebben geërgerd
jullie zullen hebben geërgerd
zij/ze zullen hebben geërgerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou ergeren
jij/je zou ergeren
hij/zij/het/u zou ergeren
wij/we zouden ergeren
jullie zouden ergeren
zij/ze zouden ergeren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geërgerd
jij/je zou hebben geërgerd
hij/zij/het/u zou hebben geërgerd
wij/we zouden hebben geërgerd
jullie zouden hebben geërgerd
zij/ze zouden hebben geërgerd
gebiedende wijs: erger
tegenwoordig deelwoord: ergerend
voltooid deelwoord: geërgerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik erger me aan het lawaai van de bouwplaats.
The noise from the building site annoys me.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij ergerde zich aan de trage trein.
He was annoyed by the slow train.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben ons aan de lange rij geërgerd.
We were annoyed by the long queue.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Ik had me erg geërgerd aan het lawaai van de buren.
I had been really annoyed by the noise from the neighbours.