Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik emigreer
jij/je emigreert
hij/zij/het/u emigreert
wij/we emigreren
jullie emigreren
zij/ze emigreren
onvoltooid verleden tijdpast
ik emigreerde
jij/je emigreerde
hij/zij/het/u emigreerde
wij/we emigreerden
jullie emigreerden
zij/ze emigreerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben geëmigreerd
jij/je bent geëmigreerd
hij/zij/het/u is geëmigreerd
wij/we zijn geëmigreerd
jullie zijn geëmigreerd
zij/ze zijn geëmigreerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was geëmigreerd
jij/je was geëmigreerd
hij/zij/het/u was geëmigreerd
wij/we waren geëmigreerd
jullie waren geëmigreerd
zij/ze waren geëmigreerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal emigreren
jij/je zult emigreren
hij/zij/het/u zal emigreren
wij/we zullen emigreren
jullie zullen emigreren
zij/ze zullen emigreren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn geëmigreerd
jij/je zult zijn geëmigreerd
hij/zij/het/u zal zijn geëmigreerd
wij/we zullen zijn geëmigreerd
jullie zullen zijn geëmigreerd
zij/ze zullen zijn geëmigreerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou emigreren
jij/je zou emigreren
hij/zij/het/u zou emigreren
wij/we zouden emigreren
jullie zouden emigreren
zij/ze zouden emigreren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn geëmigreerd
jij/je zou zijn geëmigreerd
hij/zij/het/u zou zijn geëmigreerd
wij/we zouden zijn geëmigreerd
jullie zouden zijn geëmigreerd
zij/ze zouden zijn geëmigreerd
gebiedende wijs: emigreer
tegenwoordig deelwoord: emigrerend
voltooid deelwoord: geëmigreerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij emigreren volgend jaar naar Canada.
We are emigrating to Canada next year.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Mijn oom is in 1995 naar Australië geëmigreerd.
My uncle emigrated to Australia in 1995.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Onze buren zullen na de zomer emigreren.
Our neighbors will emigrate after the summer.