Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik durf
jij/je durft
hij/zij/het/u durft
wij/we durven
jullie durven
zij/ze durven
onvoltooid verleden tijdpast
ik durfde
jij/je durfde
hij/zij/het/u durfde
wij/we durfden
jullie durfden
zij/ze durfden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gedurfd
jij/je hebt gedurfd
hij/zij/het/u heeft gedurfd
wij/we hebben gedurfd
jullie hebben gedurfd
zij/ze hebben gedurfd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gedurfd
jij/je had gedurfd
hij/zij/het/u had gedurfd
wij/we hadden gedurfd
jullie hadden gedurfd
zij/ze hadden gedurfd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal durven
jij/je zult durven
hij/zij/het/u zal durven
wij/we zullen durven
jullie zullen durven
zij/ze zullen durven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gedurfd
jij/je zult hebben gedurfd
hij/zij/het/u zal hebben gedurfd
wij/we zullen hebben gedurfd
jullie zullen hebben gedurfd
zij/ze zullen hebben gedurfd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou durven
jij/je zou durven
hij/zij/het/u zou durven
wij/we zouden durven
jullie zouden durven
zij/ze zouden durven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gedurfd
jij/je zou hebben gedurfd
hij/zij/het/u zou hebben gedurfd
wij/we zouden hebben gedurfd
jullie zouden hebben gedurfd
zij/ze zouden hebben gedurfd
gebiedende wijs: durf
tegenwoordig deelwoord: durvend
voltooid deelwoord: gedurfd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij durft veel meer dan ik.
You dare much more than I do.
Onvoltooid verleden tijdPast
Als kind durfde ik niet van de duikplank.
As a child I did not dare go off the diving board.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft het uiteindelijk toch gedurfd.
In the end she finally dared to do it.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Alleen zou ik dat nooit hebben gedurfd.
Alone, I would never have dared to do that.