Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik duur
jij/je duurt
hij/zij/het/u duurt
wij/we duren
jullie duren
zij/ze duren
onvoltooid verleden tijdpast
ik duurde
jij/je duurde
hij/zij/het/u duurde
wij/we duurden
jullie duurden
zij/ze duurden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geduurd
jij/je hebt geduurd
hij/zij/het/u heeft geduurd
wij/we hebben geduurd
jullie hebben geduurd
zij/ze hebben geduurd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geduurd
jij/je had geduurd
hij/zij/het/u had geduurd
wij/we hadden geduurd
jullie hadden geduurd
zij/ze hadden geduurd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal duren
jij/je zult duren
hij/zij/het/u zal duren
wij/we zullen duren
jullie zullen duren
zij/ze zullen duren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geduurd
jij/je zult hebben geduurd
hij/zij/het/u zal hebben geduurd
wij/we zullen hebben geduurd
jullie zullen hebben geduurd
zij/ze zullen hebben geduurd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou duren
jij/je zou duren
hij/zij/het/u zou duren
wij/we zouden duren
jullie zouden duren
zij/ze zouden duren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geduurd
jij/je zou hebben geduurd
hij/zij/het/u zou hebben geduurd
wij/we zouden hebben geduurd
jullie zouden hebben geduurd
zij/ze zouden hebben geduurd
gebiedende wijs: duur
tegenwoordig deelwoord: durend
voltooid deelwoord: geduurd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De les duurt vandaag een uur langer.
The lesson lasts an hour longer today.
Onvoltooid verleden tijdPast
De treinreis duurde bijna vier uur.
The train journey took almost four hours.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De vergadering heeft maar twintig minuten geduurd.
The meeting only lasted twenty minutes.