Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik duik
jij/je duikt
hij/zij/het/u duikt
wij/we duiken
jullie duiken
zij/ze duiken
onvoltooid verleden tijdpast
ik dook
jij/je dook
hij/zij/het/u dook
wij/we doken
jullie doken
zij/ze doken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gedoken
jij/je hebt gedoken
hij/zij/het/u heeft gedoken
wij/we hebben gedoken
jullie hebben gedoken
zij/ze hebben gedoken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gedoken
jij/je had gedoken
hij/zij/het/u had gedoken
wij/we hadden gedoken
jullie hadden gedoken
zij/ze hadden gedoken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal duiken
jij/je zult duiken
hij/zij/het/u zal duiken
wij/we zullen duiken
jullie zullen duiken
zij/ze zullen duiken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gedoken
jij/je zult hebben gedoken
hij/zij/het/u zal hebben gedoken
wij/we zullen hebben gedoken
jullie zullen hebben gedoken
zij/ze zullen hebben gedoken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou duiken
jij/je zou duiken
hij/zij/het/u zou duiken
wij/we zouden duiken
jullie zouden duiken
zij/ze zouden duiken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gedoken
jij/je zou hebben gedoken
hij/zij/het/u zou hebben gedoken
wij/we zouden hebben gedoken
jullie zouden hebben gedoken
zij/ze zouden hebben gedoken
gebiedende wijs: duik
tegenwoordig deelwoord: duikend
voltooid deelwoord: gedoken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij duiken in de zomer graag in zee.
In summer we love diving in the sea.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij dook van de hoge duikplank.
He dived from the high diving board.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Jullie zullen morgen bij het koraalrif duiken.
Tomorrow you all will dive at the coral reef.