Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik draag
jij/je draagt
hij/zij/het/u draagt
wij/we dragen
jullie dragen
zij/ze dragen
onvoltooid verleden tijdpast
ik droeg
jij/je droeg
hij/zij/het/u droeg
wij/we droegen
jullie droegen
zij/ze droegen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gedragen
jij/je hebt gedragen
hij/zij/het/u heeft gedragen
wij/we hebben gedragen
jullie hebben gedragen
zij/ze hebben gedragen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gedragen
jij/je had gedragen
hij/zij/het/u had gedragen
wij/we hadden gedragen
jullie hadden gedragen
zij/ze hadden gedragen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal dragen
jij/je zult dragen
hij/zij/het/u zal dragen
wij/we zullen dragen
jullie zullen dragen
zij/ze zullen dragen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gedragen
jij/je zult hebben gedragen
hij/zij/het/u zal hebben gedragen
wij/we zullen hebben gedragen
jullie zullen hebben gedragen
zij/ze zullen hebben gedragen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou dragen
jij/je zou dragen
hij/zij/het/u zou dragen
wij/we zouden dragen
jullie zouden dragen
zij/ze zouden dragen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gedragen
jij/je zou hebben gedragen
hij/zij/het/u zou hebben gedragen
wij/we zouden hebben gedragen
jullie zouden hebben gedragen
zij/ze zouden hebben gedragen
gebiedende wijs: draag
tegenwoordig deelwoord: dragend
voltooid deelwoord: gedragen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij draagt vandaag haar nieuwe jas.
She is wearing her new coat today.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij droeg de zware koffer naar boven.
He carried the heavy suitcase upstairs.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb deze schoenen maar één keer gedragen.
I have only worn these shoes once.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Zij had de zware tas de hele dag gedragen.
She had carried the heavy bag all day.