Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik doop
jij/je doopt
hij/zij/het/u doopt
wij/we dopen
jullie dopen
zij/ze dopen
onvoltooid verleden tijdpast
ik doopte
jij/je doopte
hij/zij/het/u doopte
wij/we doopten
jullie doopten
zij/ze doopten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gedoopt
jij/je hebt gedoopt
hij/zij/het/u heeft gedoopt
wij/we hebben gedoopt
jullie hebben gedoopt
zij/ze hebben gedoopt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gedoopt
jij/je had gedoopt
hij/zij/het/u had gedoopt
wij/we hadden gedoopt
jullie hadden gedoopt
zij/ze hadden gedoopt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal dopen
jij/je zult dopen
hij/zij/het/u zal dopen
wij/we zullen dopen
jullie zullen dopen
zij/ze zullen dopen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gedoopt
jij/je zult hebben gedoopt
hij/zij/het/u zal hebben gedoopt
wij/we zullen hebben gedoopt
jullie zullen hebben gedoopt
zij/ze zullen hebben gedoopt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou dopen
jij/je zou dopen
hij/zij/het/u zou dopen
wij/we zouden dopen
jullie zouden dopen
zij/ze zouden dopen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gedoopt
jij/je zou hebben gedoopt
hij/zij/het/u zou hebben gedoopt
wij/we zouden hebben gedoopt
jullie zouden hebben gedoopt
zij/ze zouden hebben gedoopt
gebiedende wijs: doop
tegenwoordig deelwoord: dopend
voltooid deelwoord: gedoopt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik doop mijn brood in de soep.
I dip my bread in the soup.
Onvoltooid verleden tijdPast
De pastoor doopte de baby zondag in de kerk.
The priest baptized the baby in church on Sunday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de koekjes in warme chocolade gedoopt.
We dipped the cookies in warm chocolate.