Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ga dood
jij/je gaat dood
hij/zij/het/u gaat dood
wij/we gaan dood
jullie gaan dood
zij/ze gaan dood
onvoltooid verleden tijdpast
ik ging dood
jij/je ging dood
hij/zij/het/u ging dood
wij/we gingen dood
jullie gingen dood
zij/ze gingen dood
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben doodgegaan
jij/je bent doodgegaan
hij/zij/het/u is doodgegaan
wij/we zijn doodgegaan
jullie zijn doodgegaan
zij/ze zijn doodgegaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was doodgegaan
jij/je was doodgegaan
hij/zij/het/u was doodgegaan
wij/we waren doodgegaan
jullie waren doodgegaan
zij/ze waren doodgegaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal doodgaan
jij/je zult doodgaan
hij/zij/het/u zal doodgaan
wij/we zullen doodgaan
jullie zullen doodgaan
zij/ze zullen doodgaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn doodgegaan
jij/je zult zijn doodgegaan
hij/zij/het/u zal zijn doodgegaan
wij/we zullen zijn doodgegaan
jullie zullen zijn doodgegaan
zij/ze zullen zijn doodgegaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou doodgaan
jij/je zou doodgaan
hij/zij/het/u zou doodgaan
wij/we zouden doodgaan
jullie zouden doodgaan
zij/ze zouden doodgaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn doodgegaan
jij/je zou zijn doodgegaan
hij/zij/het/u zou zijn doodgegaan
wij/we zouden zijn doodgegaan
jullie zouden zijn doodgegaan
zij/ze zouden zijn doodgegaan
gebiedende wijs: ga dood
tegenwoordig deelwoord: doodgaand
voltooid deelwoord: doodgegaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Deze plant gaat dood zonder water.
This plant dies without water.
Onvoltooid verleden tijdPast
De bloemen gingen dood door de hitte.
The flowers died because of the heat.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Onze oude appelboom is deze winter doodgegaan.
Our old apple tree died this winter.